In de taalkundige theorie over taaladvies noemen we dit de 'onderdrukking van optionele variatie'. Het is een van de onderliggende eigenschappen van taaladvies. Keuzevrijheid wordt de kop ingedrukt, in ieder geval in de standaardtaal.

 

Waarom is dat eigenlijk? Waarom zou een norm maar één variant kunnen toestaan? Je zou kunnen zeggen dat dit handig is. Je weet altijd waar je aan toe bent. Na een onzijdig zelfstandig naamwoord komt dat (het paard dat), niet wat. We zeggen groter dan, niet groter als. Er is een oplossing als je twijfelt, er is maar één ding goed. Ook fijn: het is dus makkelijk om te zeggen wat fout is.

 

En toch kán het wel, gewoon meerdere opties goedkeuren. Denk aan de werkwoordsvolgorde in de bijzin (ook wel bekend als de groene en rode volgorde). Tegenwoordig wordt zowel dat hij gekomen is als dat hij is gekomen geaccepteerd. Of denk aan het gebruik van ieder en elk: vaak is het prima om daar een vrije keuze in te maken.

 

Wat mij betreft breiden we dit lekker uit. Sta die variatie gewoon toe. Het paard dat of het paard wat: allebei goed! Even groot als of even groot dan: kies lekker zelf! De grootste man of de meest grote man: je hebt het zelf in de hand! Zolang het begrip niet in gevaar komt, is variatie namelijk veel leuker. Variation is the spice of life, zeggen de Engelsen. Dat geldt ook voor taal.