De woorden hebben dezelfde betekenis. Dus een van de twee lijkt overbodig. Maar een van de twee woorden heeft ook nog een andere betekenis.

 

authenciteit              

echtheid

Politici worden tegenwoordig steeds meer afgerekend op authenticiteit, en dan gaat het om jezelf zijn, en vooral ook om oprecht zijn.

 

authentiekheid         

nevenvorm van authenticiteit; originele staat

  • Ik blijf moeite houden met de kerk omdat voor mij de authentiekheid van de Bijbel nooit is aangetoond.
  • Deze renovatie heeft de authentiekheid van het pand geen geweld aangedaan.

 

Bij authenticiteit hoort het bijvoeglijk naamwoord authentiek. Daarmee wordt soms ook een ander zelfstandig naamwoord gevormd, met ‘-heid’, vandaar authentiekheid. Je zou dit als fout kunnen bestempelen of verwarrend, of ten minste als overbodig. Immers, de authentieke betekenis van authentiekheid is in authenticiteit voldoende duidelijk. Maar het intrigerende is dat authentiekheid er nog een bijzondere betekenis bij heeft gekregen: ‘in originele of oude staat’. Een mogelijke verklaring is dat authentiek ook de klanken van ‘antiek’ oproept, waardoor de betekenis ‘oud’ of ‘origineel’ kan opkomen. Hoe dan ook, als dit gebruik doorzet dan zien we hier een mooi voorbeeld van het principe van Von Humboldt; zie de inleiding op het Verwarwoordenboek. Dit principe zegt dat een taal streeft naar een een-op-een-relatie tussen woord en betekenis. Dus wanneer er twee woorden bestaan voor één betekenis, dan zal of een van de woorden verdwijnen of een van de woorden zal een andere betekenis krijgen. Eigenlijk een heel mooi woord, authentiekheid als uitstraling van een ‘zorgvuldig gerestaureerde antiekheid’.