Er is een betekenisverschil.

 

dat geeft zekerheid aan (voegwoord)
Ik weet zeker dat hij komt.

 

of geeft onzekerheid aan (voegwoord)
Ik weet niet zeker of hij komt.

 

Nog enkele voorbeelden:

  • Nog afgezien van het feit of / dat er onvoldoende geld is,betwijfel ik of / dat het wel zal lukken.

Na feit moet dat staan. Een feit is immers een zeker iets.

Na betwijfel moet of staan, want betwijfelen drukt onzekerheid uit.

 

  • De nieuwe politieke situatie maakt het onwaarschijnlijk of / dat het kabinet de rit zal uitzitten.

Hier zou je of verwachten vanwege onwaarschijnlijk. Toch heeft dat hier de voorkeur, want de schrijver presenteert zijn onzekerheid in een bewering.

 

Bij sommige werkwoorden geven dat en of betekenisverschil. Vergelijk:

  • Heb jij gehoord dat Clara een nieuwe baan heeft? (Clara heeft de baan.)
  • Heb jij gehoord of Clara een nieuwe baan heeft? (Heeft Clara die baan of niet?)

 

Het vragend voegwoord of en het stellend voegwoord dat worden in spreektaal wel samen gebruikt, maar in schrijftaal geldt dit als onverzorgd. De schrijver moet kiezen tussen zekerheid en onzekerheid. Dus niet:

  • Ik vroeg me af of dat hij zich soms beledigd voelde. (alleen of)

 

U hoeft niet te kiezen tussen dat en of als er in de zin al een ander vragend voegwoord staat. U gebruikt dan alleen dat vragend voegwoord:

  • Hij vertelde niet waarom of dat hij zo vreemd had gereageerd. (alleen waarom)
  • Ik ben benieuwd hoe of dat hij gaat reageren. (alleen hoe, of of met andere betekenis)